2309 · Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren
Zie aantekening 1 op dit hoofdstuk.
Voor „zuivelproducten” wordt verwezen naar aanvullende aantekening 4 op dit hoofdstuk.
Het gehalte aan zuivelproducten, het zetmeelgehalte en het gehalte aan glucose, glucosestroop, maltodextrine en maltodextrinestroop worden ongeacht hun bron berekend op het product als zodanig.
Voor zetmeel, glucose en maltodextrine is het volgende van toepassing:
- Wanneer het niet duidelijk is of enig zetmeel aanwezig is, kan een kwalitatieve microscopische methode of een kwalitatieve kleurtest met joodoplossing worden gebruikt om de aanwezigheid van zetmeel vast te stellen.
- Voor de bepaling van het gehalte aan zetmeel, glucose en maltodextrine wordt de totale hoeveelheid glucose gemeten. De totale hoeveelheid glucose wordt gedefinieerd als de som van alle glucose in een monster, met inbegrip van zowel de oorspronkelijk aanwezige vrije glucose als de glucose die wordt gegenereerd door de enzymatische hydrolyse van zetmeel of maltodextrine in het monster, uitgedrukt als glucose. De bepaling van de totale hoeveelheid glucose wordt uitgevoerd met behulp van een gewijzigde versie van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 121/2008 van de Commissie (PB L 37 van 12.2.2008, blz. 3) gespecificeerde enzymatische analysemethode. De wijziging bestaat erin dat de wasstap van 40 % ethanol tijdens de monstervoorbereiding wordt weggelaten en alleen de resultaten van hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC) voor het glucosegehalte (in gewichtspercenten, zie de bijlage bij Verordening (EG) nr. 121/2008 van de Commissie (PB L 37 van 12.2.2008, blz. 3, punt 7.1) worden berekend, hetgeen de totale hoeveelheid glucose vertegenwoordigt zoals hierboven gedefinieerd.
Producten met een totaal glucosegehalte van minder dan 0,5 gewichtspercent worden niet geacht zetmeel, glucose of maltodextrine te bevatten.
- Wanneer het totaal glucosegehalte meer dan 9 gewichtspercenten bedraagt of wanneer bekend is dat het monster meer dan 10 gewichtspercenten zetmeel bevat, wordt het werkelijke zetmeelgehalte bepaald met behulp van de polarimetrische methode (ook “gewijzigde methode Ewers” genoemd), die is vastgesteld in bijlage III, deel K, bij Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (PB L 54 van 26.2.2009, blz. 1).
Wanneer de polarimetrische methode niet van toepassing is, bv. door de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden materialen zoals de hierna vermelde, moet de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 121/2008 van de Commissie (PB L 37 van 12.2.2008, blz. 3) vastgestelde enzymatische analysemethode voor de bepaling van het zetmeelgehalte worden toegepast.
Van de volgende specifieke materialen is bekend dat zij bij toepassing van de polarimetrische methode interferenties kunnen veroorzaken:
a) producten van (suiker)bieten, zoals (suiker)bietenpulp, (suiker)bietenmelasse, (suiker)bietenpulp-gemelasseerd, (suiker)bietvinasse, (biet)suiker;
b) citruspulp;
c) lijnzaad; lijnzaadschilfers; lijnzaadschroot;
d) kool- en raapzaad; kool- en raapzaadschilfers; kool- en raapzaadschroot; kool- en raapzaadschillen;
e) zonnebloemzaad; zonnebloemzaadschroot; zonnebloemzaadschroot van gedeeltelijk ontdopt zaad;
f) kokosschilfers; kokosschroot;
g) aardappelpulp;
h) gedroogde gist;
i) producten met een hoog gehalte aan inuline (bv. chips en meel van aardperen);
j) kanen;
k) sojaproducten.