Doel
De rooktest heeft tot doel een geharmoniseerde methode vast te stellen om onderscheid te maken tussen rooktabak (tabak die klaar is om te worden gerookt zonder verdere verwerking) van post 2403 en ruwe en niet tot verbruik bereide tabak van post 2401. Om een onderscheid te maken tussen rooktabak van post 2403 en ruwe en niet tot verbruik bereide tabak van post 2401, wordt een rooktest uitgevoerd. De zeeftest wordt slechts uitgevoerd als het niet mogelijk is het monster te roken zonder verdere (industriële) verwerking.
Inleiding
Voor de toepassing van onderverdeling 2403 19 dienen de woorden „geschikt om te worden gerookt” te worden opgevat in die zin dat van het product een sigaret kan worden gemaakt, dan wel dat het in een pijp kan worden gebracht en met meerdere trekjes kan worden verbrand.
Principe van de test
Er wordt op verschillende manieren nagegaan of een tabaksmonster kan worden gerookt: er wordt met de hand een shagje gedraaid, er wordt een shagje gemaakt met behulp van een sigarettenhuls of het tabaksmonster wordt in een pijp gebracht. De pijp en de vervaardigde sigaretten worden aangestoken en gerookt. Vervolgens worden het ontbranden en het roken beoordeeld.
Toepassing
De test is van toepassing op alle tabak en tabaksproducten, inclusief onderdelen van tabaksproducten zoals de vulling van een sigaar. De test kan gevaarlijk zijn wanneer het monster door schimmel is aangetast.
Benodigdheden
Een klimaatkast, geschikt om het monster te conditioneren bij een temperatuur van 22 ± 1 °C en een luchtvochtigheid van 60 ± 3 %)
Een sigarettenhulzenvuller
Sigarettenvloeitjes (lengte 70 mm, breedte 37 mm)
Sigarettenhulzen (diameter 7,3 mm, lengte inclusief filter 85 mm)
Een aansteker
Een borstel om de sigarettenhulzenvuller schoon te maken
Een pijp
Een pijpenstopper
Gereedschap om de pijp schoon te maken
Een rookmachine (overeenkomstig ISO 3308)
Bereiding van het monster
Het monster wordt grondig gemengd en indien nodig in delen verdeeld door het te kwarteren. Als het monster te droog is (vochtgehalte is minder dan 8 gewichtspercenten), moet het monster ten minste 48 uur worden geconditioneerd (bij een temperatuur van 22 ± 1 °C en een luchtvochtigheidsgraad van 60 ± 3 %.
Het monster mag op geen enkele manier worden versneden, gebroken, fijngemaakt, gemalen of op andere wijze worden gesplitst.
Testprocedure
Maak de sigarettenhulzenvuller en de pijp schoon.
Pijp:
- Breng een passende hoeveelheid van het monster (ten minste 5,0 g) in de pijp, tot aan de rand van de pijp.
- Steek de tabak in de pijp aan met een aansteker en druk de tabak voorzichtig aan met een pijpenstopper. Trek met regelmatige tussenpozen van ongeveer één minuut aan de pijp.
Sigaretten:
- Vloeitjes: breng een passende hoeveelheid van het monster op het vloeitje en rol dit in een cilindrische vorm.
- Sigarettenhulzenvuller: breng een passende hoeveelheid van het monster (ten minste 0,5 g) in de sigarettenhulzenvuller en rol de sigaret verder volgens de gebruiksaanwijzing van de specifieke vuller.
- Steek de vervaardigde sigaretten aan met een aansteker en laat ze vrijelijk gloeien zonder eraan te trekken (dit om overtollig papier te verbranden). Neem met regelmatige tussenpozen van ongeveer dertig tot zestig seconden trekjes van de sigaret, afhankelijk van de kwaliteit van de tabak. De gemiddelde duur van een trekje bedraagt ongeveer twee seconden.
Evaluatie van de test (typische voorbeelden)
Indien een van de rooktesten positief is, kan de tabak worden gerookt (onderverdeling 2403 19).
| Evaluatie van de proef met het pijproken | Evaluatie van de proef met de zelfgerolde sigaretten (shag) | Evaluatie van de proef met de sigarettenhulzenvuller | Eindevaluatie | Opmerking |
| Het is niet mogelijk om de pijp te vullen met het monster (hele tabaksbladeren, grote stukken tabaksbladeren, stelen enz.) | Het is niet mogelijk om de sigaret te rollen (hele tabaksbladeren, grote stukken tabaksbladeren, stelen enz.) | Het is niet mogelijk de sigaret te vervaardigen (hele tabaksbladeren, grote stukken tabaksbladeren, stelen enz.) | Het is niet mogelijk het monster te roken zonder verdere (industriële) verwerking | Typisch voor de onderverdelingen 2401 10, 2401 20 en 2401 30 |
| Het is niet mogelijk om het monster in de pijp te roken (de vulling is niet of nauwelijks doorlatend en de pijp dooft bijna direct na het aansteken) | Het is niet mogelijk om het monster in de sigaret te rollen, het monster bevat geen tabaksvezels die de rol bijeen houden, de vulling valt uit het vloeitje | Het monster is in de sigarettenhuls gestopt en de vervaardigde sigaret is opgerookt | Het monster is geschikt om te worden gerookt | Typisch voor afvallen van tabak (kleine bladdeeltjes) — onderverdeling 2403 19 |
| Het is mogelijk om het monster in de pijp te roken | Het monster is in het vloeitje gerold en de vervaardigde sigaret is opgerookt | Het monster is in de sigarettenhuls gestopt en de vervaardigde sigaret is opgerookt | Het monster is geschikt om te worden gerookt | Typisch voor gesneden tabak — onderverdeling 2403 19 |
| Het is niet mogelijk het monster in de pijp te roken (de vulling brandt erg snel op en er komt veel warmte vrij: de pijp kan beschadigd raken) | Het monster is in het vloeitje gerold en de vervaardigde sigaret is opgerookt | Het monster is in de sigarettenhuls gestopt en de vervaardigde sigaret is opgerookt | Het monster is geschikt om te worden gerookt | Typisch voor fijngesneden tabak — onderverdeling 2403 19 |
| Het is niet mogelijk om het monster in de pijp te stoppen (de deeltjes van het monster zijn erg hard) | Het is niet mogelijk om de sigaret te rollen (door de harde deeltjes scheurt het vloeitje) | Het is niet mogelijk om de sigarettenhuls te vullen (door de harde deeltjes scheurt het sigarettenpapier) | Het is niet mogelijk het monster te roken zonder verdere (industriële) verwerking | Typisch voor gesneden stelen — onderverdeling 2401 30 |
Van sommige monsters (met name afvallen van tabak) kunnen soms vormloze „sigaretten” worden gerold. Als dergelijke „sigaretten” al uit elkaar vallen voordat ze worden aangestoken, of als de tabak al na de eerste trek uit de aangestoken „sigaret” valt, dan wordt de uitkomst als volgt genoteerd: „het is niet mogelijk om de sigaret te rollen”.
Literatuur
ISO 3402 Tabak en tabaksproducten — Atmosfeer voor conditionering en analyse.
Om een onderscheid te maken tussen tabaksfabricaten van post 2403 en ruwe en niet tot verbruik bereide tabak van post 2401, wordt een rooktest uitgevoerd. De zeeftest wordt slechts uitgevoerd als het niet mogelijk is het monster te roken zonder verdere (industriële) verwerking.
Principe van de methode
De methode berust op het bepalen van de gewichtspercentages van het monster die achterblijven op zeven met verschillende maasbreedten, om zo onderscheid te maken tussen producten die worden ingedeeld onder onderverdeling 2401 20 en producten die worden ingedeeld onder onderverdeling 2401 30.
Indien 50 of meer gewichtspercenten van de deeltjes in het monster groter zijn dan 3,15 mm (volgens de Coresta-methode nr. 16), betreft het een monster van geheel of gedeeltelijk gestripte tabak (onderverdeling 2401 20).
Indien meer dan 50 gewichtspercenten van de deeltjes kleiner zijn dan 3,15 mm (in een van de drie dimensies), betreft het een monster van afvallen van tabak (onderverdeling 2401 30).
Toepasbaarheid
De resultaten kunnen worden beïnvloed door de fysisch-chemische eigenschappen van het monster en door diverse andere factoren:
- het soortelijk gewicht en de grootte van het monster — dit heeft invloed op de zeeftijd en is belangrijk voor de beoordeling van het analysemonster;
- de kwetsbaarheid van het monster — dit heeft invloed op het uit elkaar vallen van het monster tijdens het voorbewerken en zeven;
- de elektrostatische en magnetische eigenschappen — de gevoeligheid van het monster om uit elkaar te vallen of te clusteren;
- de hygroscopie van het monster — dit heeft invloed op het gewicht en de deeltjesgrootte van het monster.
Benodigdheden
Een klimaatkast, geschikt om het monster te conditioneren bij een temperatuur van 22 ± 1 °C en luchtvochtigheid van 60 ± 3 %
Analytische balans — nauwkeurigheid min. 0,01 g
Een set ronde zeven met ISO 3310-1-specificaties (metaaldoek — vierkante mazen), met een diameter van 200 mm, een hoogte van 50 mm en een maasbreedte van achtereenvolgens 0,4 mm, 3,15 mm en 6,3 mm
Een ultrasoonbad voor het reinigen van de zeven
Een schudmachine die trillingen van 50 Hz kan produceren en met een zijwaartse beweging van 3 mm
Een bodem en een deksel voor de set zeven
Een borstel om de deeltjes van het monster uit de zeven te verwijderen
Bereiding van het monster
Meng het monster grondig. Verdeel, indien nodig, het monster door het te kwarteren.
Conditioneer tussen de 50 g en 150 g van het monster ten minste 48 uur bij een temperatuur van 22 ± 1 °C en een luchtvochtigheid van 60 ± 3 %.
Voer de hierna beschreven test uit in een gecontroleerde atmosfeer, bij een temperatuur van 22 ± 1 °C en een luchtvochtigheid van 60 ± 5 %. Noteer de temperatuur en de luchtvochtigheid waarin de testen zijn verricht. Noteer ook de atmosferische druk wanneer deze niet tussen de 86 en 106 kPa is. Vermeld deze gegevens ook in het testrapport.
Methode
De zeven moeten schoon en onbeschadigd zijn. Weeg iedere zeef op 0,01 g nauwkeurig. Stel de zeven als volgt van onder naar boven op — de bodem (een reservoir om het stof te verzamelen), vervolgens de zeef met de smalste maasbreedte en dan de andere zeven met een steeds groter wordende maasbreedte en tot slot het deksel.
Weeg het geconditioneerde monster op 0,01 g nauwkeurigheid en verspreid dit gelijkmatig over de bovenste zeef. Sluit af met het deksel.
Plaats deze set zeven in de schudmachine en laat de zeven 5 tot 15 minuten schudden (afhankelijk van het gewicht van het monster) met een frequentie van 50 Hz en een zijwaartse beweging van 3 mm.
Als het zeven is voltooid, haal dan de zeven uit de schudmachine.
Verwijder het deksel van de zeef en de bovenste zeef. Borstel de stofdeeltjes die vastzitten aan de zijkanten van de nu bovenste zeef de zeef in. Strijk deze stofdeeltjes handmatig in vijf streken door de zeef naar de zeef met de kleinere maasbreedte.
Herhaal dit bij iedere zeef. Weeg iedere zeef op 0,01 g nauwkeurig, alsmede de bodem.
Voer de test in duplo uit, met een ander deel van het monster.
Berekeningen
De resultaten worden berekend als massafractie (residu) van het monster dat op de specifieke zeef achterblijft. Bereken het gewichtspercentage Z X voor elke zeef als volgt:
in gewichtspercent, waarbij
m R het gewicht is (in g) van de specifieke zeef met het residu; m X het gewicht is (in g) van de specifieke zeef, en m S het gewicht is van het monster (in g).
Bereken het zeefrendement Y S als volgt:
in %, waarbij
m R het gewicht is (in g) van de specifieke zeef met het residu; m X het gewicht is (in g) van de specifieke zeef, en m S het gewicht is van het monster (in g).
Evaluatie en weergave van de resultaten
Het zeefrendement moet hoger zijn dan 99 %. Indien dat niet het geval is, herhaal de test met een ander deel van het monster. Controleer de conditionering van het monster overeenkomstig ISO 3402.
Druk de resultaten uit als gewichtspercentage van het monster (residu op de specifieke zeven), afgerond op één decimaal. Neem in het testrapport ook de maasbreedten, de zeeftijd, de zijwaartse beweging en frequentie van de schudmachine, het gewicht van het monster en de temperatuur en luchtvochtigheid van de analyseomstandigheden op.
Prestatiekenmerken
De bepaalbaarheidsgrens bedraagt 5 gewichtspercent.
De herhaalbaarheid bedraagt 1,5 gewichtspercent bij een gehalte van 5 tot 20 gewichtspercent en 0,06 × ZX gewichtspercent bij een gehalte van meer dan 20 gewichtspercent.
De meetonzekerheid bedraagt 2 gewichtspercent bij een gehalte van 5 tot 20 gewichtspercent en U = 0,1 × ZX bij een gehalte van meer dan 20 gewichtspercent.
Literatuur
Aanbevolen methode nr. 16 van Coresta: Lamina strip particle size determination ISO 2395 Test sieves and test sieving — Vocabulary.
IISO 3310-1 Test sieves — Technical requirements and testing — Part 1: Test sieves of metal wire cloth. (Proefzeven — Technische voorschriften en testprocedures — Deel 1: Proefzeven van metaaldoek).
ISO 3402 Tobacco and tobacco products — Atmosphere for conditioning and testing. (ISO 3402 Tabak en tabaksproducten — Atmosfeer voor conditionering en analyse).