Algemene opmerkingen
Tenzij anders aangegeven worden onder ASTM-methoden verstaan de methoden die door de American Society for Testing and Materials zijn aanvaard.
Aantekening 2
1. Voor de bepaling van het gehalte aan aromatische bestanddelen moeten onderstaande methoden worden gebruikt:
- producten waarvan het distillatie-eindpunt niet boven 315 °C ligt: methode EN 15553;
- producten waarvan het distillatie-eindpunt boven 315 °C ligt: zie bijlage A van de toelichting op dit hoofdstuk.
2. De uitdrukking „dergelijke olie” omvat onder andere de volgende mengsels van koolwaterstoffen:
- synthetische paraffinehoudende dieselbrandstoffen, in het bijzonder „met waterstof behandelde plantaardige oliën” (HVO) en „uit gas verkregen vloeibare brandstoffen”;
- producten uit hernieuwbare bronnen die het resultaat zijn van de volgende processen: „uit biomassa verkregen vloeibare brandstoffen” of „uit biogas verkregen vloeibare brandstoffen”;
- producten uit de gelijktijdige verwerking van hernieuwbare grondstoffen en aardoliegrondstof in raffinaderijen.
Met betrekking tot de productie van „dergelijke olie” gelden de volgende definities:
- „waterstofbehandeling”: de thermochemische omzetting van triglyceriden met waterstof om alkanen te produceren; het betreft hier de verwerking van brandstoffen. Bronnen van triglyceriden zijn doorgaans vetten en oliën, geschikte afvalstoffen, fracties van afvalvetten en vetten afkomstig van algen.
- „uit gas verkregen vloeibare brandstoffen”, „uit biomassa verkregen vloeibare brandstoffen” en „uit biogas verkregen vloeibare brandstoffen”: de omzetting van gas in vloeibare brandstoffen met het Fischer-Tropsch-procedé of een gelijkwaardig procedé. In het geval van „uit biomassa verkregen vloeibare brandstoffen” is er een voorafgaande stap waarbij de biomassa wordt omgezet in gas.”.
Aanvullende aantekening (GN) 5
1. Afgezien van het bepaalde in aanvullende aantekening (GN) 5, onder n), geldt de vrijstelling voor het totaal van de producten die aan een „aangewezen behandeling” worden onderworpen.
Indien bijvoorbeeld een aardolieproduct aan een alkylatie of polymerisatie wordt onderworpen, geldt de vrijstelling ook voor dat gedeelte, dat niet daadwerkelijk wordt omgezet (dat wil zeggen niet wordt gealkyleerd of gepolymeriseerd).
2. Indien aan de „aangewezen behandeling” een voorbehandeling moet voorafgaan (zie laatste alinea van aanvullende aantekening (GN) 5) dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan om vrijstelling te verkrijgen:
a) het ingevoerde product moet werkelijk een voeding zijn, bestemd om een „aangewezen behandeling” te ondergaan, bijvoorbeeld de voeding voor het kraakproces;
b) de voorbehandeling moet technisch noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van een „aangewezen behandeling”.
Als noodzakelijke voorbehandelingen van producten bestemd om een „aangewezen behandeling” te ondergaan, kunnen bijvoorbeeld worden genoemd:
a) het ontgassen;
b) het drogen;
c) het verwijderen van bepaalde lichte of zware stoffen die de behandeling zouden kunnen verstoren;
d) het verwijderen of het omzetten van mercaptanen (het zoeten of „sweetening”), van andere zwavelverbindingen of van andere voor de behandeling schadelijke stoffen;
e) het neutraliseren;
f) het decanteren;
g) het ontzouten.
Over bij de voorbehandeling verkregen producten die niet worden onderworpen aan een „aangewezen behandeling”, dient het invoerrecht te worden geheven dat geldt voor producten „bestemd voor ander gebruik”, naar de soort en de waarde van de ingevoerde producten en op basis van het nettogewicht van de verkregen producten.
Aanvullende aantekening (GN) 5 a)
Onder vacuümdistillatie wordt verstaan de distillatie onder een druk van niet meer dan 400 mbar, gemeten aan de top van de kolom.
Aanvullende aantekening (GN) 5 b)
Onder herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing wordt verstaan een distillatieproces (uitgezonderd „topping”) in industriële, al dan niet continu werkende installaties, waarbij distillaten van de onderverdelingen 2710 12 11 t/m 2710 19 48, 2711 11 00, 2711 12 91 t/m 2711 19 00, 2711 21 00 en 2711 29 00 (andere dan propaan met een zuiverheid van 99 % of meer) als voeding worden gebruikt om de volgende producten te verkrijgen:
1. geïsoleerde koolwaterstoffen met een hoge zuiverheidsgraad (90 % of meer voor onverzadigde koolwaterstoffen en 95 % of meer voor andere koolwaterstoffen), waarbij mengsels van isomeren van eenzelfde organische verbinding als geïsoleerde koolwaterstoffen worden beschouwd.
Er wordt op gewezen dat slechts die behandelingen zijn toegestaan waarbij ten minste drie producten worden verkregen; deze beperking geldt niet voor het scheiden van isomeren. In dit verband wordt ethylbenzeen als een isomeer van xyleen beschouwd;
2. producten van de onderverdelingen 2707 10 00 t/m 2707 30 00, 2707 50 00 en 2710 12 11 t/m 2710 19 48:
a) waarvan het eindkookpunt van de ene fractie en het beginkookpunt van de volgende fractie elkaar niet overlappen en waarvan het verschil tussen de temperaturen waarbij — distillatieverliezen inbegrepen — 5 % en 90 % van het volume overdistilleert (methode EN ISO 3405 (gelijkwaardig aan methode ASTM D 86)), niet meer bedraagt dan 60 °C;
b) waarvan het eindkookpunt van de ene fractie en het beginkookpunt van de volgende fractie elkaar overlappen en waarvan het verschil tussen de temperaturen waarbij — distillatieverliezen inbegrepen — 5 % en 90 % van het volume overdistilleert (methode EN ISO 3405 (gelijkwaardig aan methode ASTM D 86)), niet meer bedraagt dan 30 °C.
Aanvullende aantekening (GN) 5 c)
Onder kraken wordt verstaan de industriële behandeling waarbij door warmte, met of zonder druk alsmede met of zonder gebruik van katalysatoren, de moleculen van aardolieproducten worden gebroken en hun chemische structuur wordt veranderd, waarbij vooral mengsels van lichtere koolwaterstoffen worden verkregen die bij normale temperatuur en normale druk vloeibaar of gasvormig zijn.
De belangrijkste kraakbehandelingen zijn:
1. thermisch kraken;
2. katalytisch kraken;
3. stoomkraken voor de vervaardiging van gasvormige koolwaterstoffen;
4. hydrokraken (kraakbehandeling in aanwezigheid van waterstof);
5. dehydrogeneren;
6. dealkyleren;
7. verkooksen (coking);
8. kraken om de viscositeit te verlagen (visbreaking).
Aanvullende aantekening (GN) 5 d)
Onder reforming wordt verstaan de thermische of ook katalytische behandeling van lichte of halfzware oliën ter verhoging van hun gehalte aan aromaten. Katalytische reforming wordt bijvoorbeeld toegepast voor de omzetting van lichte oliën uit de eerste distillatie in lichte oliën met een hoger octaangetal (met een hoog gehalte aan aromatische koolwaterstoffen) of in een mengsel van koolwaterstoffen die benzeen, tolueen, xyleen, ethylbenzeen, enz. bevatten.
In het bijzonder kan worden genoemd de katalytische reforming met platina als katalysator.
Aanvullende aantekening (GN) 5 e)
Onder extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen wordt verstaan de behandeling waarbij groepen van stoffen met een verschillende moleculaire structuur met behulp van bijzondere, selectief werkende oplosmiddelen (furfurol, fenol, dichloorethylether, zwaveldioxide, nitrobenzeen, ureum en bepaalde ureumderivaten, aceton, propaan, methylethylketon, methylisobutylketon, glycol, N-methylmorfoline, enz.) van elkaar worden gescheiden.
Aanvullende aantekening (GN) 5 g)
Onder polymeriseren wordt verstaan de industriële behandeling waarbij onverzadigde koolwaterstoffen, al dan niet met behulp van warmte en al dan niet met gebruikmaking van katalysatoren, tot een of meer van hun polymeren of copolymeren worden samengevoegd.
Aanvullende aantekening (GN) 5 h)
Onder alkyleren wordt verstaan iedere thermische of katalytische reactie waarbij onverzadigde koolwaterstoffen een verbinding aangaan met ongeacht welke andere koolwaterstoffen, in het bijzonder met isoparaffinen of met aromaten.
Aanvullende aantekening (GN) 5 ij)
Onder isomeriseren wordt verstaan de wijziging van de structuur van de bestanddelen van aardolieproducten, zonder dat de brutoformule van de bestanddelen wordt gewijzigd.
Aanvullende aantekening (GN) 5 l)
Van de wasverwijderingsbehandelingen in de zin van deze aanvullende aantekening (GN) kunnen bijvoorbeeld worden genoemd het het verwijderen van was:
1. door afkoeling (met of zonder oplosmiddelen);
2. met behulp van microbiologische processen;
3. met behulp van ureum;
4. met behulp van moleculaire zeven.
Aanvullende aantekening (GN) 5 n)
Onder atmosferische distillatie wordt verstaan de distillatie onder een druk van ongeveer 1 013 mbar, gemeten aan de top van de kolom.
Aanvullende aantekening (GN) 6
1. Onder „chemische verwerking” wordt verstaan iedere behandeling die ten doel heeft de moleculaire structuur van een of meer bestanddelen van het bewerkte aardolieproduct te wijzigen.
Als „chemische verwerking” wordt bijvoorbeeld niet aangemerkt het enkel vermengen van een aardolieproduct met een ander aardolieproduct of met een ander product. De toevoeging van white spirit aan een verfstof, of de toevoeging van een smeerolie aan een drukinkt beantwoordt dus niet aan de definitie „chemische verwerking”. Hetzelfde geldt voor ieder gebruik van aardolieproducten als oplosmiddel, motorbrandstof of brandstof.
2. Voorbeelden van „chemische verwerkingen”:
a) behandeling met halogenen of met halogeenverbindingen:
i) reactie met het in gasvormige aardolieproducten aanwezige propyleen, voor de vervaardiging van organische derivaten (bijvoorbeeld voor de vervaardiging van propyleenoxide);
ii) bewerking van aardoliefracties (benzine, kerosine, gasolie), paraffine, minerale wassen of paraffinehoudende residuen met chloor of chloorverbindingen voor de vervaardiging van chloorparaffinen;
b) behandeling met basen (natronloog, kaliloog, ammoniak, enz.) voor de vervaardiging van nafteenzuren;
c) behandeling met zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride voor:
i) de vervaardiging van sulfonaten;
ii) de extractie of vervaardiging van isobutyleen;
iii) het sulfoneren van gasoliën en smeeroliën.
De vrijstelling van invoerrechten geldt niet voor oliën die na het sulfoneren zijn toegevoegd;
d) sulfochlorering;
e) hydratering, bijvoorbeeld voor de vervaardiging van alcoholen door omzetting van de in gasvormige aardoliefracties aanwezige onverzadigde koolwaterstoffen;
f) behandeling met maleïnezuuranhydride, bijvoorbeeld behandeling van butadieenbevattende gasvormige aardoliefracties met vier koolstofatomen, voor de vervaardiging van tetrahydroftaalzuur;
g) behandeling met fenol, bijvoorbeeld reactie met onverzadigde koolwaterstoffen in aanwezigheid van een katalysator, voor de vervaardiging van alkylfenolen;
h) oxidatie:
i) oxidatie van zware oliën voor de vervaardiging van geblazen bitumen van onderverdeling 2713 20 00;
ii) oxidatie van ongeacht welke aardolieproducten voor de vervaardiging van chemisch gewijzigde producten, zuren, aldehyden, ketonen, alcoholen, enz., bijvoorbeeld oxidatie van lichte fracties onder druk en bij verhoogde temperatuur voor de vervaardiging van azijnzuur, mierenzuur, propionzuur en barnsteenzuur;
ij) dehydrogenering, bijvoorbeeld van:
i) naftenen voor de vervaardiging van aromatische koolwaterstoffen (bijvoorbeeld benzol);
ii) paraffinen voor de vervaardiging van vloeibare onverzadigde koolwaterstoffen die bijvoorbeeld worden gebruikt voor de vervaardiging van biologisch afbreekbare alkylbenzenen;
k) oxosynthese;
l) opneming volgens een niet omkeerbaar proces van zware oliën in hoogpolymeren (latex van natuurlijke of synthetische rubber, butylrubber, polystyreen, enz.);
m) vervaardiging van de producten bedoeld bij post 2803;
n) nitreren voor de vervaardiging van nitroderivaten;
o) biologische bewerking van bepaalde, n-paraffine bevattende aardoliefracties, voor de vervaardiging van proteïnen of andere samengestelde organische producten.
1. Toepassingsgebied
Deze testmethode betreft de bepaling van het gehalte aan aromatische en niet-aromatische bestanddelen in minerale oliën.
2. Definitie
2.1. Aromatische bestanddelen: het in oplosmiddel opgeloste en aan silicagel geadsorbeerde gedeelte van het monster De aromatische bestanddelen kunnen het volgende bevatten: aromatische koolwaterstoffen, gecondenseerde nafteenaromaten, aromatische olefines, asfaltenen, aromatische verbindingen die zwavelzuur, stikstof, zuurstof en polaire aromatische verbindingen bevatten.
2.2. Niet-aromatische bestanddelen: het gedeelte van het monster dat niet aan silicagel geadsorbeerd is en dat door het oplosmiddel geëlueerd is (zoals niet-aromatische koolwaterstoffen).
3. Principe van de methode
Het in n-pentaan opgeloste monster wordt in een speciale, met silicagel gevulde chromatografiekolom gepercoleerd. De met oplosmiddel geëlueerde niet-aromatische bestanddelen worden vervolgens opgevangen en na verdamping van het oplosmiddel door weging kwantitatief bepaald.
Monsters die niet in n-pentaan oplossen, moeten worden opgelost in cyclohexaan.
4. Apparatuur en reagentia
Chromatografiekolom: een glazen buis met afmetingen en vorm als weergegeven in de hierna opgenomen tekening. De bovenste opening moet kunnen worden afgesloten met een glazen verbindingsstuk, waarvan het vlakke, matgepolijste randoppervlak door middel van twee met rubber beklede metalen klemmen welke op de kolom wordt bevestigd. De afsluiting moet in verband met het gebruik van stikstof- of luchtdruk volledig dicht zijn.
Silicagel: korrelgrootte 200 mesh of meer. Het moet voor het gebruik gedurende zeven uur in een droogoven bij 170 °C worden geactiveerd; daarna in een exsiccator laten afgekoelen. Na activering moet de silicagel binnen een paar dagen worden gebruikt.
Oplosmiddel I n-pentaan: zuiverheidsgraad ten minste 95 %, vrij van aromaten.
Oplosmiddel II cyclohexaan: zuiverheidsgraad ten minste 98 %, vrij van aromaten.
5. Procedure 1 (chromatografiekolom 1)
Bereiding van de monsteroplossing: los ongeveer 3,6 g (nauwkeurig gewogen) van het monster op in 10 ml n-pentaan (I). Indien het monster niet oplosbaar is in n-pentaan, wordt cyclohexaan gebruikt en wordt de bepaling met cyclohexaan (II) in plaats van n-pentaan (I) uitgevoerd.
De chromatografiekolom (chromatografiekolom 1) wordt tot ongeveer 10 cm onder de bolvormige uitstulping gevuld met het vooraf geactiveerde silicagel, waarbij de inhoud van de kolom met behulp van een vibrator zorgvuldig wordt geschud, teneinde vorming van kanaaltjes te voorkomen. Vervolgens wordt in het gedeelte boven de silicagelkolom een propje glaswol aangebracht.
De silicagel wordt vooraf bevochtigd met 180 ml oplosmiddel (I) of (II) en van bovenaf onder lucht- of stikstofdruk gezet totdat de vloeistofspiegel het bovenste niveau van het silicagel bereikt.
Nadat de druk in de kolom voorzichtig is weggenomen, wordt een hoeveelheid van ongeveer 3,6 g (gewogen met een nauwkeurigheid van 2 decimalen) van het monster, opgelost in 10 ml oplosmiddel (I) of (II), in de kolom gebracht; vervolgens wordt het gebruikte bekerglas omgespoeld met nog eens 10 ml oplosmiddel (I) of (II)), dat eveneens in de kolom wordt gebracht.
De druk wordt geleidelijk opgevoerd totdat de vloeistof druppelsgewijze uit de capillaire buis onderaan de kolom vloeit met een snelheid van ongeveer 1 ml per minuut; deze vloeistof wordt opgevangen in een glazen kolf met een inhoud van 500 ml.
Wanneer het niveau van de vloeistof die de af te scheiden substantie bevat tot het bovenste niveau van het silicagel zakt, wordt de druk opnieuw voorzichtig weggenomen en wordt 230 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd; dan wordt de druk onmiddellijk opnieuw opgevoerd en de vloeistofspiegel verlaagd tot het bovenste niveau van het silicagel, waarbij het eluaat in dezelfde kolf als hiervoor genoemd wordt opgevangen.
Alvorens het niveau van de vloeistof die de af te scheiden substantie bevat tot het bovenste niveau van het silicagel zakt, wordt het eluaat aan de hand van FT-IR gecontroleerd op de aanwezigheid van aromaten. Indien het eluaat uitsluitend alifatische koolwaterstoffen bevat, wordt na het wegnemen van de druk nogmaals 50 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd. Herhaal deze stap indien nodig.
De opgevangen fractie wordt bij ongeveer 35 °C in een vacuümoven of in een roterende vacuümverdamper of soortgelijk apparaat tot een gering volume ingedampt; vervolgens wordt dit residue kwantitatief overgebracht in een getarreerde bekerglas, waarbij meer oplosmiddel (I) of (II) wordt gebruikt.
De inhoud van het bekerglas wordt in een vacuümoven bij 35 °C verdampt tot een constant gewicht (W). Het verschil tussen de twee laatste wegingen mag niet groter zijn dan 0,01 g. De tijd tussen de twee wegingen moet minstens 30 minuten zijn.
Het aantal gewichtspercenten niet-aromatische bestanddelen (A) wordt berekend met de volgende formule:
A= W/W1*100
waarbij W1 het gewicht van het onderzochte monster voorstelt.
Het verschil ten opzichte van 100 is het percentage van de door de silicagel geabsorbeerde aromatische bestanddelen.
6. Nauwkeurigheid van de methode
Herhaalbaarheid: 5 %.
Reproduceerbaarheid: 10 %.
7. Procedure 2 (chromatografiekolom 2)
Bereiding van de monsteroplossing: los ongeveer 0,9 g (nauwkeurig gewogen) van het monster op in 2,5 ml n-pentaan (I). Indien het monster niet oplosbaar is in n-pentaan, wordt cyclohexaan gebruikt en wordt de bepaling met cyclohexaan (II) in plaats van n-pentaan (I) uitgevoerd.
De chromatografiekolom (chromatografiekolom 2) wordt tot ongeveer 2,5 cm onder de bolvormige uitstulping gevuld met het vooraf geactiveerde silicagel, waarbij de inhoud van de kolom met behulp van een vibrator zorgvuldig wordt geschud, teneinde vorming van kanaaltjes te voorkomen. Vervolgens wordt in het gedeelte boven de silicagelkolom een propje glaswol aangebracht.
Het silicagel wordt vooraf bevochtigd met 45 ml oplosmiddel (I) of (II) en van bovenaf onder lucht- of stikstofdruk gezet totdat de vloeistofspiegel het bovenste niveau van het silicagel bereikt.
Nadat de druk in de kolom voorzichtig is weggenomen, wordt een hoeveelheid van ongeveer 0,9 g (gewogen met een nauwkeurigheid van 2 decimalen) van het monster, opgelost in 2,5 ml oplosmiddel (I) of (II), in de kolom gebracht; vervolgens wordt het gebruikte bekerglas omgespoeld met nog eens 2,5 ml oplosmiddel (I) of (II)), dat eveneens in de kolom wordt gebracht.
De druk wordt geleidelijk opgevoerd totdat de vloeistof druppelsgewijze uit de capillaire buis onderaan de kolom vloeit met een snelheid van ongeveer 1 ml per minuut; deze vloeistof wordt opgevangen in een glazen kolf met een inhoud van 250 ml.
Wanneer het niveau van de vloeistof die de af te scheiden substantie bevat tot het bovenste niveau van het silicagel is gezakt, wordt de druk opnieuw voorzichtig weggenomen en wordt 57,5 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd; dan wordt de druk onmiddellijk opnieuw opgevoerd en wordt de vloeistofspiegel verlaagd tot het bovenste niveau van het silicagel, waarbij het eluaat in dezelfde kolf als hiervoor genoemd wordt opgevangen.
Alvorens het niveau van de vloeistof, die de af te scheiden substantie bevat, tot het bovenste niveau van het silicagel zakt, wordt het eluaat aan de hand van FT-IR gecontroleerd op de aanwezigheid van aromaten. Indien het eluaat uitsluitend alifatische koolwaterstoffen bevat, wordt na het wegnemen van de druk nogmaals 12,5 ml oplosmiddel (I) of (II) toegevoegd. Herhaal deze stap indien nodig.
De opgevangen fractie wordt bij ongeveer 35 °C in een vacuümdroogoven of in een roterende vacuümverdamper of soortgelijk apparaat tot een gering volume ingedampt; vervolgens wordt dit residue kwantitatief overgebracht in een getarrreerd bekerglas, waarbij meer oplosmiddel (I) of (II) wordt gebruikt.
De inhoud van het bekerglas wordt in een vacuümoven bij at 35 °C verdampt tot een constant gewicht (W). Het verschil tussen de twee laatste wegingen mag niet groter zijn dan 0,01 g. De tijd tussen de twee wegingen moet minstens 30 minuten zijn.
Het aantal gewichtspercenten niet-aromatische bestanddelen (A) wordt berekend met de volgende formule:
A= W/W1*100
waarbij W1 het gewicht van het onderzochte monster voorstelt.
Het verschil ten opzichte van 100 is het percenten van de door de silicagel geabsorbeerde aromatische bestanddelen.
8. Nauwkeurigheid van de methode
Herhaalbaarheid: 5 %.
Reproduceerbaarheid: 10 %.
Chromatografiekolom 1
Chromatografiekolom 2