Algemene opmerkingen
1. Zie voor de toepassing van de begrippen „buitenzool” en „bovendeel” de letters C en D van de algemene opmerkingen van de GS-toelichting op dit hoofdstuk.
Verder geldt voor „bovendelen” die uit twee of meer materialen zijn samengesteld (aantekening 4, onder a), en aanvullende aantekening (GN) 1 op hoofdstuk 64), het volgende:
a) Het „bovendeel” is het deel van het schoeisel dat de zijkanten en de bovenkant van de voet en soms het been bedekt. Het reikt tot en is bevestigd aan de zool. Het kan ook tot in de zool reiken.
De samenstellende materialen van het bovendeel zijn de materialen waarvan het oppervlak gedeeltelijk of volledig zichtbaar is aan de buitenzijde van het schoeisel. Een voering is daarom geen bovendeel. De materialen van het bovendeel zijn aan elkaar bevestigd.
Na het verwijderen van de toebehoren en de versterkingen mag bij de berekening van het totale oppervlak van de materialen die het bovendeel vormen geen rekening worden gehouden met de oppervlakken onder de elkaar overlappende gedeelten waar de materialen aan elkaar bevestigd zijn.
Zo is bijvoorbeeld bij leder (A) en textiel (B) het oppervlak (C) het gedeelte van het textiel (B) dat onder het overlappende leder (A) ligt. Er mag geen rekening worden gehouden met het oppervlak van het textiel (C) bij de berekening van het totale oppervlak van de materialen die het bovendeel vormen.
Er mag geen rekening worden gehouden met bevestigingssystemen, zoals bijvoorbeeld veters, klittenbandsluitingen, enzovoort (zie letter D, laatste alinea, van de algemene opmerkingen van de GS-toelichting op dit hoofdstuk).
b) De „voering” kan van elk materiaal zijn vervaardigd. Zij kan uit een of meer materialen bestaan. De voering komt in aanraking met de voet en dient als schokdemper, als bescherming, of slechts als versiering. De voering is niet zichtbaar aan de buitenzijde van het schoeisel, met uitzondering van bijvoorbeeld de vulling langs de schachtrand.
c) „Toebehoren” en „versterkingen” worden gedefinieerd in aantekening 4, onder a), op hoofdstuk 64, in aanvullende aantekening (GN) 1 op hoofdstuk 64 en in letter D, laatste alinea, van de algemene opmerkingen van de GS-toelichting op dit hoofdstuk.
Toebehoren hebben in het algemeen een decoratieve functie en versterkingen hebben een beschermende of versterkende functie. Omdat versterkingen bevestigd zijn aan het bovendeel om extra sterkte te geven, zijn zij bevestigd aan de buitenzijde van het bovendeel en niet slechts aan de voering. Een deel van de voering mag zich onder de versterking bevinden, mits de versterkende functie hierdoor niet wordt verminderd. Toebehoren en versterkingen die aan het bovendeel zijn bevestigd, kunnen ook aan de zool zijn bevestigd of tot in de zool reiken. Materiaal wordt niet aangemerkt als een toebehoren of als een versterking, maar wordt aangemerkt als een deel van het bovendeel als de onderliggende materialen niet op een duurzame wijze aan elkaar bevestigd zijn (genaaide naden zijn een voorbeeld van een duurzame bevestigingswijze).
In de zin van aantekening 4, onder a), op hoofdstuk 64, kunnen als „soortgelijke voorzieningen” bijvoorbeeld worden aangemerkt logo's of neuskappen.
Bij het bepalen van de aard van het „bovendeel” wordt een lip die geheel of gedeeltelijk wordt bedekt (binnentong) buiten beschouwing gelaten.
Zie de hiernavolgende afbeelding, waarbij de stippellijn de binnentong voorstelt.
Onderstaande afbeeldingen en tekst dienen als voorbeeld bij het bepalen van het materiaal waarvan het „bovendeel” is vervaardigd:
De schoen in bovenstaande afbeeldingen is vervaardigd uit leder en textiel. Voor het bepalen van het materiaal van het „bovendeel”, in de zin van hoofdstuk 64 en voor het uitsluiten van „toebehoren” en „versterkingen”, dienen de volgende overwegingen te worden gemaakt:
1 en 2. Wanneer de lederen neuskap (1) en het voorblad (2) worden verwijderd, verschijnt het textiel dat zich daaronder bevindt (en dat niet tot de voering behoort). Aangezien de lederen gedeelten (1 en 2) een beschermende functie hebben, worden zij beschouwd als versterkingen. Omdat het textiel dat zich onder de lederen gedeelten (1 en 2) bevindt gedeeltelijk zichtbaar is aan het oppervlak, dient het te worden beschouwd als een deel van het bovendeel.
3. Bij verwijdering van het lederen gedeelte (3) wordt een textieloppervlak zichtbaar (in de afbeelding aangeduid met A) en een gedeelte met materiaal van de voering dat daaronder zit. Aangezien het textiel niet volledig tot gedeelte (3) reikt, de voering niet wordt aangemerkt als bovendeel en er onder het leder voornamelijk voeringmateriaal zit, biedt het lederen gedeelte geen versterking aan enig deel van het bovendeel en moet daarom als een deel van het bovendeel worden aangemerkt.
4. Dit lederen gedeelte (4) is genaaid op een een textielgedeelte en overlapt (A) ook het lederen gedeelte (3). Aangezien er gedeeltelijk zichtbaar textiel zit onder gedeelte (4) en een gedeeltelijk zichtbaar lederen gedeelte (3) onder het overlappende gedeelte (A) en aangezien het lederen gedeelte (4) extra versterking biedt aan de zijde van het bovendeel, wordt dit gedeelte (4) beschouwd als versterking. Het lederen gedeelte (3) en het textielmateriaal onder gedeelte (4), met uitzondering van het textieloppervlak onder gedeelte (3), dienen derhalve te worden beschouwd als delen van het bovendeel.
5. Wanneer dit lederen gedeelte (5) wordt verwijderd, verschijnt gedeeltelijk het textiel dat zich daaronder bevindt. Aangezien het lederen gedeelte (5) het bovenste deel van de hiel versterkt en aangezien zich daaronder gedeeltelijk zichtbaar textiel bevindt, dient het leder te worden beschouwd als versterking.
6. Wanneer de lederen hielkap (6) wordt verwijderd, verschijnt een gedeelte van de voering en wordt het textiel gedeeltelijk zichtbaar. Aangezien het textiel niet tot onder het leer reikt, heeft de lederen hielkap (6) geen versterkende functie voor het bovenmateriaal en wordt de kap derhalve beschouwd als deel van het bovendeel (en niet als versterking).
7. Wanneer dit lederen gedeelte (7) wordt verwijderd, verschijnt gedeeltelijk het textiel dat zich daaronder bevindt. Aangezien het lederen gedeelte (7) extra versterking biedt aan de zijde van het bovendeel, dient het leer te worden beschouwd als versterking.
8. Wanneer het lederen logo (8) wordt verwijderd, verschijnt gedeeltelijk het textiel dat zich daaronder bevindt. Aangezien een logo een soortgelijke voorziening is in de zin van aantekening 4, onder a, op hoofdstuk 64, is het geen deel van het bovendeel.
Bij het berekenen van de percentages van de lederen gedeelten en de percentages van de textieloppervlakken die zijn geïdentificeerd als gedeelten van het bovendeel, blijkt dat het textiel overheerst (70 % textiel). De schoen wordt daarom ingedeeld als schoeisel met bovendeel van textiel.
2. Het begrip „rubber”, in de zin van de gecombineerde nomenclatuur, is omschreven in aantekening 1 op hoofdstuk 40; aantekening 3, onder a), op hoofdstuk 64 breidt het begrip ten behoeve van dit hoofdstuk uit.
3. Het begrip „kunststof”, in de zin van de gecombineerde nomenclatuur, is omschreven in aantekening 1 op hoofdstuk 39; aantekening 3, onder a), op hoofdstuk 64 breidt het begrip ten behoeve van dit hoofdstuk uit.
4. Het begrip „leder” in de zin van dit hoofdstuk wordt gedefinieerd in aantekening 3, onder b), op hoofdstuk 64.
5. Het begrip „textiel” wordt gedefinieerd in de letters E en F van de algemene opmerkingen van de GS-toelichting op dit hoofdstuk. Vezels (bijvoorbeeld scheerhaar), garens, weefsels, brei- en haakwerk, vilt, gebonden textielvlies, koord, kabel, touw, enzovoort, bedoeld bij de hoofdstukken 50 t/m 60, worden derhalve aangemerkt als „textiel” in de zin van hoofdstuk 64. Wat de weefsels vallende onder hoofdstuk 59 betreft, zijn de aantekeningen op hoofdstuk 59 alleen van toepassing indien ze niet in strijd zijn met de bepalingen van aantekening 3, onder a), op hoofdstuk 64.