1. Voor de toepassing van post 2001 dienen groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, een gehalte te hebben aan vrij, vluchtig zuur van 0,5 gewichtspercent of meer, berekend als azijnzuur. Bovendien mag het zoutgehalte van paddenstoelen van onderverdeling 20019050 niet meer bedragen dan 2,5 gewichtspercenten.
2.
a) Het gehalte aan diverse suikers, berekend als sacharose (“suikergehalte”), van de producten bedoeld bij dit hoofdstuk, is gelijk aan het getal dat een refractometer (gebruikt volgens de methode die is vastgesteld in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 974/2014 van de Commissie) bij een temperatuur van 20 °C aanwijst, vermenigvuldigd met:
0,93 voor de producten bedoeld bij de onderverdelingen 200820 tot en met 200880, 200893, 200897 en 200899,
0,95 voor de producten bedoeld bij de andere posten.
Het gehalte aan diverse suikers, berekend als sacharose („suikergehalte”), van de volgende bij dit hoofdstuk bedoelde producten:
producten vervaardigd op basis van maniokwortel, arrowroot (pijlwortel), salepwortel, aardperen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke wortels en knollen met een hoog gehalte aan zetmeel of aan inuline van post 0714,
is evenwel gelijk aan het getal dat resulteert uit een berekening uitgevoerd op basis van metingen die zijn verkregen met behulp van de HPLC-methode (hogedrukvloeistofchromatografie), volgens onderstaande formule:
S + (G + F) × 0,95
waarbij
„S” het met behulp van de HPLC-methode bepaalde sacharosegehalte is,
„F” het met behulp van de HPLC-methode bepaalde fructosegehalte is,
„G” het met behulp van de HPLC-methode bepaalde glucosegehalte is.
b) De “brixwaarde” zoals vermeld in de onderverdelingen van post 2009, is gelijk aan het getal dat een refractometer (gebruikt volgens de methode die is vastgesteld in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 974/2014) bij een temperatuur van 20 °C aanwijst.
3. De producten bedoeld bij de onderverdelingen 200820 tot en met 200880, 200893, 200897 en 200899 worden geacht toegevoegde suiker te bevatten, indien hun suikergehalte meer bedraagt dan de hierna vermelde gewichtspercentages, naargelang van de soort van de vruchten of andere eetbare plantendelen:
4. Voor de toepassing van de onderverdelingen 20083011 tot en met 20083039, 20084011 tot en met 20084039, 20085011 tot en met 20085059, 20086011 tot en met 20086039, 20087011 tot en met 20087059, 20088011 tot en met 20088039, 20089311 tot en met 20089329, 20089712 tot en met 20089738 en 20089911 tot en met 20089940 wordt verstaan onder:
5. Het volgende is van toepassing op de producten zoals aangeboden:
a) het gehalte aan toegevoegde suiker van de producten bedoeld bij post 2009 is gelijk aan hun suikergehalte verminderd met het hierna vermelde getal, naargelang van de soort van het sap:
sap van citroenen of van tomaten: 3;
druivensap: 15;
sap van andere vruchten of van groenten, mengsels daaronder begrepen: 13;
b) vruchtensappen met toegevoegde suiker, met een brixwaarde van niet meer dan 67, die minder dan 50 gewichtspercenten vruchtensap bevatten, verliezen hun oorspronkelijke karakter van vruchtensappen als bedoeld bij post 2009.
Punt b) is niet van toepassing op geconcentreerde natuurlijke vruchtensappen. Geconcentreerde natuurlijke vruchtensappen zijn daarom niet uitgesloten van post 2009.
6. Voor de toepassing van de onderverdelingen 20096951 en 20096971 wordt als “geconcentreerd druivensap (druivenmost daaronder begrepen)” aangemerkt druivensap (druivenmost daaronder begrepen) waarvoor het getal dat een refractometer (gebruikt volgens de methode die is vastgesteld in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 974/2014) bij een temperatuur van 20 °C aanwijst, niet lager is dan 50,9 %.
7. Voor de toepassing van de onderverdelingen 20019092, 20060035, 20060091, 20071091, 20079993, 20089703, 20089705, 20089712, 20089716, 20089732, 20089736, 20089751, 20089772, 20089776, 20089792, 20089794, 20089797, 20089924, 20089931, 20089936, 20089938, 20089948, 20089963, 20098934, 20098936, 20098973, 20098985, 20098988, 20098997, 20099092, 20099095 en 20099097 worden als „tropische vruchten” aangemerkt: guaves, manga's, manggistans, papaja's, tamarindevruchten, cashewappelen, lychees, nangka's („jackfruit”), sapodilla's, passievruchten, carambola's en pitahaya's.
8. Voor de toepassing van de onderverdelingen 20019092, 20060035, 20060091, 20079993, 20081912, 20081992, 20089703, 20089705, 20089712, 20089716, 20089732, 20089736, 20089751, 20089772, 20089776, 20089792, 20089794 en 20089797 worden als „tropische noten” aangemerkt: kokosnoten, cashewnoten, paranoten, arecanoten (of betelnoten), colanoten en macadamianoten.
9. Zeewier en andere algen, bereid of verduurzaamd door bewerkingen die niet in hoofdstuk 12 zijn beschreven, zoals koken, roosteren, kruiden of het toevoegen van suiker, vallen onder hoofdstuk 20 als bereidingen van andere delen van planten. Zeewier en andere algen, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in poedervorm, moeten onder post 1212 worden ingedeeld.